Ridders MWO onderscheiden: eresabels
De Militaire Willems-Orde kon door haar indeling in vier klassen recht doen aan de betekenis van de verschillende daden van moed, beleid en trouw: de ene militaire prestatie was immers de andere niet en moest dus naar evenredigheid worden beloond. Daarnaast kende men tot 1940 de eervolle vermelding voor daden die nog niet geheel aan de eisen voor het ridderschap voldeden. Toch voldeed deze opbouw niet.
Vooral in Nederlands-Indië had men grote behoefte aan veel en bovenal passende onderscheidingen. Vandaar dat op 17 januari 1855 op last van Koning Willem III werd teruggegrepen op een oud, reeds in de tijd van de Republiek in gebruik zijnd ereblijk: de eresabel.
Hiermee konden voortaan officieren worden beloond die reeds Ridder der Militaire Willems-Orde waren en zich opnieuw hadden onderscheiden.
In totaal zijn er 106 eresabels uitgereikt: 89 aan officieren van het Koninklijk Nederlands-Indisch Leger (KNIL), 4 aan bij dit leger gedetacheerde officieren van de Koninklijk Nederlands Leger en 13 aan officieren van de Koninklijke Marine.
In 1927 ontving Henri Behrens, kapitein der Infanterie van het KNIL, de laatste eresabel voor zijn optreden in Atjeh. Het was het symbolische einde van een bewogen periode in de koloniale geschiedenis van Nederland. Er zijn drie modellen bekend van het eresabel: