|
Hybo Everdes de Boer (1776-1838) Hybo Everdes de Boer was een militair in hart en nieren. Ondervinding is de beste leermeester, was zijn devies. En aan ondervinding had het hem in het tijdperk van de revolutionaire en Napoleontische oorlogen (1792-1815) niet ontbroken: veldslagen, verre reizen, krijgsgevangenschap, schipbreuk, guerrillaoorlog in Spanje- hij had het allemaal meegemaakt. Hij hield er voor de rest van zijn leven verschillende littekens, een levenslange vriendschap met generaal D.H. Chassé en een benoeming tot Ridder der vierde klasse van de Militaire Willems-Orde aan over. Waterloo De Boer trad in 1795 als soldaat in dienst bij het 4e Bataljon Jagers. Het was het begin van een kleurrijke militaire loopbaan die op het slagveld van Waterloo een voorlopige bekroning vond. Nieuw waren de gebeurtenissen op die 18e juni 1815 voor de inmiddels tot kapitein bevorderde De Boer in zekere zin niet. De kruitdamp, het kanongebulder, het musketvuur, het geschreeuw van de gewonden, de doden- hij had het allemaal al eens eerder beleefd, zoals zoveel van zijn generatiegenoten. Hij maakte op het slagveld van Waterloo door zijn moed en grote ijver indruk op vriend en vijand. De hoofdwond die hij daarbij opliep tekende zijn daadkracht. Wie zich in die jaren als Officier wilde bewijzen, moest bovenal verwondingen in de strijd oplopen. Littekens dus als keurmerk van dapperheid. In december 1815 kwam de beloning in de vorm van een Militaire Willems-Orde. De Boer behoorde aldus tot de eerste generatie Ridders van deze nieuwe vaderlandse orde. In dienst van Koning Willem I Waterloo betekende het einde van een periode. De Boer huwde en bracht een groot deel van zijn tijd voortaan door met zijn grootste hobby, de horticultuur. Als militair klom hij ondertussen op de rang van majoor tot luitenant-kolonel. Maar in 1830, met het uitbreken van de Belgische opstand, kwam er een einde aan de jaren van rustig gezinsleven. In 1832 behoorde De Boer tot de Nederlandse verdedigers van de Citadel van Antwerpen. De overgave aan de Fransen en de daarop volgende internering in St. Omer beschouwde hij als een dieptepunt in zijn militaire loopbaan Het thuisfront dacht daar anders over. De verdedigers van de Citadel werden bij hun terugkeer in mei 1833 als helden ontvangen. De Boer werd door Koning Willem I verheven in de adelstand. Voortaan ging hij als jonkheer door het leven. Hij was echter geen schim meer van de onverschrokken militair van weleer. Uitgeput en ziekelijk bracht hij zijn laatste jaren door als gouverneur van Breda en kolonel bij de generale staf. Op 30 januari overleed hij, het modelvoorbeeld van een loyale en dappere militair uit de Napoleontische periode, die zijn laatste jaren als militair in dienst had gesteld van het nieuwe Koninkrijk der Nederlanden. 'Ik heb myn plicht gedaan en myn Koning gediend als Man van Eer'.
Collectie Legermuseum, inv.nr.00100453 |