Sinds de middeleeuwen heeft de individuele soldaat steeds de beschikking gehad over twee soorten draagbare wapens: de nabijheidswapens, die te beschouwen zijn als een verlengstuk van de arm (zwaard, speer, bijl), en de afstandswapens (werp-, schiet- en vuurwapens). De meeste strijders bekwaamden zich in het gebruik van meerdere wapens, met uitzondering van de degenen die bijzondere wapens zoals bijvoorbeeld tweehanders en schietwapens (handbogen en kruisbogen) gebruikten.