terug

Het zwaard 

Het meest gebruikte wapen was het eenhandige zwaard (eenhander), dat op twee manieren kon worden gebruikt: om te houwen (slaan, hakken) en om te steken (stoten). Voor elk van deze functies kwamen later speciale wapens tot ontwikkeling. Meestal werd het zwaard echter gebruikt om mee te houwen. 

De eerste ijzeren harnasplaten kwamen in het begin van de veertiende eeuw in West-Europa als lichaamsbescherming in zwang. Daardoor ontstond de behoefte met het zwaard gericht tussen de platen van het harnas van de tegenstander te steken en werden,naarmate het harnas steeds meer delen van het lichaam ging bedekken, de zwaardklingen stijver en puntiger. Ter verbetering van de balans van het zwaard (zodat de strijder er beter mee kon vechten), werd het gevest wat verlengd (anderhalfhander). De langere greep van de anderhalfhander vergemakkelijkte het stoten van dit zwaard met één hand. En door de greep tijdelijk met twee handen vast te pakken kon de strijder een slag met zijn zwaard extra snelheid geven. 

Eenhander en anderhalfhander, 15e eeuw
Eenhander en anderhalfhander, 15e eeuw

Gerichte stoten dwongen de tegenstander tot afweerbewegingen met diens zwaard. De nadruk ging meer op de steek liggen dan op de houw. Op deze wijze ontstond het schermen. Om het wapen nog beter te kunnen hanteren moest het ook anders vastgepakt worden en ook werd bescherming van de vingers noodzakelijk. De overdwars lopende stang op vrijwel alle zwaarden, de pareerstang, was natuurlijk van oudsher al voor de afweer bestemd want hij kon immers de kling van de tegenstander opvangen. De door de schermbewegingen ontstane behoefte aan extra bescherming van de hand en de vingers leidde er echter toe dat het gevest steeds meer beschermingsbeugels kreeg. 

Pareerstang en pareerbeugels (op een 16e-eeuws zwaard)
Pareerstang en pareerbeugels (op een 16e-eeuws zwaard)

Dit proces begon in de vijftiende eeuw. De allereerste vormen van beschermingsbeugels waren een stel halfronde pareerbeugels onder de pareerstang, aan weerszijden van de kling, die de zwaardvechter in staat stelden zijn wijsvinger om het bovenste gedeelte van de kling te leggen zodat deze, beter beschermd dan vroeger, gestuurd kon worden. 

De degen 

De ontwikkeling van het schermen tot de typische sport van officieren en de adel leidde tot een speciaal soort wapen: de degen. Dit scherm- of duelleerwapen werd in het openbaar gedragen door hen die de schermkunst machtig waren. Sinds het begin van de vijftiende eeuw waren dit behalve beroepssoldaten ook burgers, allereerst in de steden van Italië. Dat is tevens een van de tekenen van het opgekomen zelfbewustzijn der middeleeuwse steden en haar burgers. De degen was een lichtere vorm van het zwaard met een smalle kling waarmee voornamelijk gestoken werd en waarvan het gevest later doorgaans voorzien was van een stootplaat. In de zeventiende eeuw ontstond zo de sierdegen, wapenhistorisch zo genoemd omdat hij het kostuum van de drager versierde. De kling was uitsluitend voor de stoot bestemd en ca. 90 centimeter lang. Men moet zich door de term sierdegen en equivalenten als wandeldegen, kostuumdegen, hofdegen enzovoort niet laten misleiden, want een degensteek in het lichaam was meestal dodelijk. 

Twee gevesten van sierdegens, 18e eeuw
Twee gevesten van sierdegens, 18e eeuw

Het rapier 

Het gevest van de sierdegen had een vuistbeugel, een halve of hele pareerstang met daaronder een stel symmetrische vingerbeugels (zodat men met behulp van de vingers de degen flitsend snel kon bewegen), de opvolgers van de pareerbeugels uit vroegere tijd, ook wel bril genaamd, en een kleine stootplaat. Eerder, in de zestiende eeuw was via Spanje het rapier (van espada ropera, mantelzwaard) in zwang gekomen, een degen met een dunne stijve kling van meer dan een meter lengte. Het rapier had een ingewikkeld beugelgevest om de hand te beschermen, met name de wijsvinger, die om het bovenste gedeelte van de kling gelegd werd. 

Twee gevesten van rapieren, 16e eeuw
Twee gevesten van rapieren, 16e eeuw

De sabel 

De houwfunctie van het oorspronkelijke zwaard werd verder ontwikkeld in de houwdegen en de sabel. De sabel was een gevestwapen met een in de regel gebogen, vrij brede, éénsnijdende kling van 70 tot 90 centimeter lengte en met een asymmetrisch gevest voorzien van een of meer beschermingsbeugels, door onderlinge dwarsbeugels soms tot een 'korf' gearrangeerd, en van een pareerstang en een vuistbeugel. Vooral bij de lichte cavalerie, die aan verkenningen en onverhoedse aanvallen deed, was de sabel een geliefd wapen. 

Sabel van de lichte cavalerie, zgn. Bluchersabel, eind 18e eeuw
Sabel van de lichte cavalerie, zgn. Bluchersabel, eind 18e eeuw

De houwdegen 

De steeds in formatie aanvallende zware cavalerie gaf sinds de zeventiende eeuw echter de voorkeur aan de houwdegen. De houwdegen was qua functie eigenlijk de ware opvolger van het middeleeuwse zwaard. Qua vorm was hij een zwaardere uitvoering van de degen alleen had zijn gevest doorgaans meerdere beschermingsbeugels. 

Gevest (draagzijde) van een houwdegen, begin 17e eeuw
Gevest (draagzijde) van een houwdegen, begin 17e eeuw

Behalve de houwdegen gebruikte de ruiterij ook een lange sabel met rechte kling die pallas werd genoemd. Resumerend kan gesteld worden dat zolang er zowel lichte als zware cavalerie bestond, de lichte cavalerie met sabels met gebogen klingen vocht en de zware cavalerie met houwdegens en pallassen met rechte klingen. 

Frans cavalerist steekt met zijn pallas naar het paard van een Poolse regenstander (Frans schilderij, 2e helft 19e eeuw)
Frans cavalerist steekt met zijn pallas naar het paard van een Poolse regenstander (Frans schilderij, 2e helft 19e eeuw)

De laatste cavaleriesabels 

De schermles in de kazerne, schilderij van Isaac Israëls, 1880. De cavaleristen oefenen met sabels
De schermles in de kazerne, schilderij van Isaac Israëls, 1880. De cavaleristen oefenen met sabels

Pas na de Napoleontische tijd viel het verschil weg tussen lichte en zware cavalerie* en werden sabels geïntroduceerd met flauw gebogen klingen waarmee zowel gehouwen als gestoken kon worden. Echter voor schermbewegingen waren deze minder geschikt want om echt effectief te kunnen steken is een rechte steekkling noodzakelijk en om een krachtige houw te geven moet een kling meer gebogen zijn. Om uit dit dilemma te komen voerden een aantal landen, Engeland voorop, aan het eind van de negentiende eeuw voor hun cavalerie een soort van lichte pallas in, dus met een kaarsrechte steekkling maar met het gebogen gevest van de sabel. De greep van dit wapen was zelfs zo sterk gebogen dat hij bijna op een pistoolgreep leek. Daarmee kon men weliswaar heel gemakkelijk naar voren steken, maar het betekende ook dat het cavaleriegevecht uitsluitend op het steken (stoten) naar, en dus het doden van, individuele tegenstanders was gericht en dat er niet meer effectief gehouwen kon worden. Dat had natuurlijk gevolgen voor de training en de tactiek.

*De functies van de lichte cavalerie werden overgenomen door de huzaren die al in de achttiende eeuw in de westerse legers waren verschenen en die ook sabels met kromme klingen gebruikten.