Middeleeuwse voetsoldaten waren in de regel uitgerust met blanke wapens (draagbare nabijheidswapens) waarvan de kling (het scherpe gedeelte) in het lichaam van de tegenstander moest dringen), meestal met een combinatie van een stokwapen (speer, hellebaard) of een slagwapen (bijl, knots) met een zwaard en een dolk. Als bescherming droeg de soldaat zo mogelijk een pantser (in middeleeuws Nederlands pansier) van aan elkaar geklonken ijzeren ringetjes (soms nog versterkt met ijzeren platen), of een harnas (lichaamsbescherming van vaste platen). Verder droeg hij een helm, en vaak een schild in de linkerhand.