In 1895 deed, samen met het geweer M.95, een nieuwe patroon zijn intrede in de Nederlandse krijgsmacht: de 6,5 x 53,5 R. In de daarop volgende jaren zou deze patroon een grote verspreiding krijgen. Hij werd niet alleen gebruikt in de geweren en karabijnen, maar ook in verschillende mitrailleurs, zoals de Schwarzlose, Madsen, Lewis en Vickers.
|
Wielrijders, bewapend met de karabijn No.4 trekken een fiets over een waterhindernis, ca. 1918
|
Hoewel de 6,5 mm patroon bij het leger in Nederland, de Koninklijke Marine en het Nederlands-Indische leger was ingevoerd, hanteerden deze drie krijgsmachtonderdelen afwijkende benamingen. Bij het Nederlandse leger waren de scherpe en losse patronen genummerd.
|
Kort na de invoering van het geweer M.95 werd deze nummering gewijzigd, zodanig dat de scherpe patronen een oneven nummer kregen, en de losse patronen een even nummer. Ook het Koninklijk Nederlands-Indische leger nummerde zijn patronen. Hier vormden de scherpe en losse patronen echter twee aparte series, elk beginnend met nummer 1. De marine, tenslotte, had geen nummering, maar hanteerde afkortingen.
De nieuwe klein kaliberpatroon van 6.5 mm (x 53.5 R), zoals die in 1895 werd ingevoerd, had de volgende karakteristieken:
- totale lengte: 77,80 mm
- lengte huls: 53,60 mm
- lengte kogel: 31,40 mm
- totaal gewicht: 22,65 gr
- gewicht huls: 10,00 gr
- gewicht kogel: 10,15 gr
- diameter kogel: 6,70 mm
- diameter nek: 7,45 mm
- diameter schouder: 10,90 mm
- diameter bodem: 11,50 mm
- diameter rand: 13,45 mm
|
|
Soldaat op wacht presenteert zijn geweer tijdens de Eerste Wereldoorlog.
|
|
Deze patroon zou bij de Nederlandse strijdkrachten in Europa tot 1940 en in de koloniën tot 1942 als standaardpatroon in gebruik blijven. Hij werd naast de geweren aanvankelijk ook in de verschillende mitrailleurs gebruikt maar werd in deze taak later (gedeeltelijk) vervangen door patronen met een groter kaliber. Vanaf 1897 werd de munitie gemaakt in de nieuwe Patronenfabriek te Hembrug.
|
Genietroepen te fiets met de karabijn No.3 op de rug, ca 1915
|
Het legermuseum bezit een behoorlijke variatie aan patronen in dit kaliber en hier worden de soorten getoond die in de collectie aanwezig zijn. Dit is geen volledig overzicht, maar het geeft wel een inzicht in de varianten die er in omloop waren.
Patroonhouders
De patroonhouder voor de geweren en karabijnen was uit dun staalplaat geperst. Er pasten vijf patronen in. Om roest tegen te gaan werden ze verzinkt, gevernist (gemoffeld) of gelakt. De openingen in de zijwand dienden tot het lichter maken van de houder. Onderop vindt men de letter van de staalpartij alsmede de laatste twee cijfers van het jaar van aanmaak. De patroonhouders bleven tijdens het vuren in het magazijn zitten. Nadat de houder was leeggeschoten viel deze door de bodem van het magazijn uit het wapen. Het wandbord toont de verschillende productiestadia van vervaardiging van patroonhouders. De blank gelakte patroonhouder dateert uit 1917, de bruin gelakte uit 1924.
Onderliggende artikelen