Ingevoerd in 1904, uit de bewapening gevoerd in 1938. Vanwege een tekort aan marechaussee-karabijnen werden de eerste exemplaren omgebouwd voor gebruik te voet. Pas vanaf 1912 kreeg de artillerie haar karabijnen terug. Meest opvallende kenmerken van de artillerie karabijn zijn het uiterlijk en de bevestigingsmethode van de bajonet No. 4. De opmerkelijk vormgegeven bajonet heeft geen greep en wordt door een verende pal op z'n plaats gehouden. Dit exemplaar heeft een (niet nummergelijke, dus mogelijk later toegevoegde?) rechte grendel. Produktie ongeveer 3500 stuks.
|
Detail van de monding met bovenband. Let op het nokje onder aan de bovenband met de sleuf erboven. Hier wordt de bajonet aan bevestigd. |