Een applicatie is een al dan niet versierd stuk stof dat ter decoratie op een textiele ondergrond wordt genaaid.
De Bataafse Republiek werd in de voormalige Republiek der Zeven Verenigde Provinciën (Noordelijke Nederlanden) ingesteld na de militaire overwinning van de Fransen in 1795. De Nederlandse revolutionairen die sympathiseerden met de Fransen noemden zich de 'Bataven'. De Bataafse Republiek werd in 1806 opgeheven en vervangen door het Koninkrijk Holland.
Opgenaaide holle band waardoor de vlaggestok gestoken wordt, of waardoor een lijn loopt waarmee de vlag aan de mast kan worden bevestigd.
Van oudsher een legerafdeling met een kapitein aan het hoofd, meestal tussen de 100 en 200 man sterk. De compagnie was van de 17de tot de 19de eeuw de kleinste eenheid waarmee een infanterie-eenheid op het slagveld optrad. Om die reden voerden compagnieën heel lang een eigen vlag, de compagniesvlag.
Term waarmee wordt aangegeven dat de voor- en achterkant van een vlag of vaandel uit twee verschillende, maar aaneengenaaide doeken bestaat.
Term waarmee wordt aangegeven dat de voor- en achterkant van een vlag of vaandel uit een en hetzelfde doek worden gevormd.
Weefsel waarbij door middel van een extra ketting een tamelijk lange 'flotteerdraad' over het grondweefsel wordt gelegd. Een flotteerdraad is een draad die over verschillende draden van een weefsel voert, alvorens het te binden. Hierbij kan een patroon of structuurbinding optreden.
Fluweel is een weefsel dat aan een kant een kort 'pluisdek' heeft, doordat er draadjes uit het grondweefsel steken. Dit wordt een pool genoemd.
Toen in 1960 de vlaggencollectie uit het Paleis op de Dam overgedragen werd aan het Legermuseum is een grootscheeps restauratieproject opgezet in samenwerking met het Laboratorium voor Textieltechniek en Vezeltechnologie van de Technische Hogeschool te Delft en de Werkplaats tot Herstel van Antiek Textiel te Haarlem.
Al in de jaren vijftig had de Technische Hogeschool geëxperimenteerd met een methode om verzwakt textiel te impregneren en op een ondergrond te lijmen met een soort kunsthars. De testresultaten van deze plakmethode waren dermate bevredigend dat men besloot de vlaggen van het Legermuseum op deze wijze te behandelen. Voor de daadwerkelijke behandeling werd de hulp ingeroepen van de Werkplaats te Haarlem. De hele vlaggenverzameling werd op conditie beoordeeld, waarbij bleek dat vooral de zijden exemplaren er het slechtst aan toe waren. Men koos ervoor de zijden Indische vlaggen het eerst te behandelen. De vlaggen waren sterk vervuild en bovendien was het weefsel uitgedroogd en bros geworden. De behandeling begon met het verwijderen van de oude restauratie en het wassen van de vlaggen in water met neutraal detergent. Het nat reinigen had een positieve werking op de uitgedroogde vezels: de vlaggen werden weer hanteerbaar. Vervolgens werd de vezel verstevigd door impregnatie ervan met een 1% oplossing van de kunsthars Polyvinylbutyralin 96%-ethyl-alcohol, dat met een penseel werd aangebracht. Na verdamping van de alcohol blijft het kunsthars in de vezel achter en op deze wijze wordt de verdere afbraak van de vezel vertraagd. Vervolgens werden de vlaggen op een ondergrond gelijmd. De ondergrond bestond uit een Teryleenweefsel dat geïmpregneerd was met Setamul-oplossing, een thermoplastische polyvinylacetaatlijm. De vlaggen werden op de geïmpregneerde ondergrond gelegd en met een strijkbout voorzichtig vast gestreken.Lacunes en andere ontbrekende delen werden vervolgens met caseïneverf in de juiste kleuren bijgeschilderd om tot een zo compleet mogelijke reconstructie te komen. Aan de achterzijde werd een voering van schuiflinnen (een katoensoort) geplaatst met een broek eraan, waaraan de vlaggen weer gehangen zouden kunnen worden.
Al met al bleek deze behandelmethode zeer bevredigend en lange tijd zou de plakmethode de panacee binnen de textielrestauratie blijven. Vlag na vlag werd vervolgens op deze wijze geconserveerd. Echter na enkele jaren bleek de toegepaste methode niet zo perfect als men gehoopt had, want de conserveringsmaterialen verouderden op een manier die men, ondanks het onderzoek naar natuurlijke, fotochemische en thermische veroudering vooraf, niet had kunnen bedenken. De vlaggen zijn veel te stijf geworden en glimmen omdat er teveel lijm is toegepast. Zodra de omgevingstemperatuur maar iets hoger ligt dan kamertemperatuur wordt de lijm week en slaat door het weefsel heen naar de voorzijde. Het resultaat is dat de vlaggen plakkerig worden. Misschien heeft het teveel aan lijm ook invloed op de kleuren, hoewel dit moeilijk is na te gaan, omdat de vlaggen door natuurlijke veroudering ook al verkleurd zijn. Toen de plakresultaten in 1964 tijdens een internationale conferentie over textielconservering aan publiek werden getoond, ontstond er een hevige controverse tussen plakkers en niet-plakkers over de toepasbaarheid van deze 'Haarlemse methode'.
De draden in een weefsel, die dwars door de gespannen ketting worden gebracht. Onder de inslag verstaat men de gezamenlijke inslagdraden. Toevoegingen aan het woord inslag duiden op de speciale functie die deze dan heeft. Zie ook ketting.
Bindingssysteem gebaseerd op een eenheid van drie of meer kettingdraden en drie of meer inslagdraden, waarbij iedere kettingdraad over twee of meer aangrenzende inslagdraden gaat en onder de volgende inslagdraad, soms ook onder meerdere. De bindingspunten verschuiven telkens één draad in dezelfde richting, zodat de opvolgende inslagdraden diagonale lijnen vormen. Er bestaan veel variaties: meergraadskeper, gebroken keper, spitskeper, ketting- en inslagkeper, gelijkzijdige keper, visgraat, etc.
De ketting van een weefsel wordt gevormd door de draden die in de lengte van een weefsel lopen. De enkele draden worden kettingdraden genoemd. Zie ook inslag.
Naam voor weefsels waarbij het rapport zich beperkt tot twee ketting- en twee inslagdraden, en waarbij even en oneven kettingdraden, bij elke slag onder en boven de inslagdraad gaan.
De paradezijde of -kant is de 'achterkant' van de vlag, de voorzijde wordt 'vluchtzijde' genoemd. De paradezijde is te zien, wanneer de vlag degene die de parade afneemt van links naar rechts passeert.
Van oudsher een legeronderdeel dat wordt aangevoerd door een kolonel. Oorspronkelijk werden regimenten door kolonels zelf geworven, bewapend en gekleed. Om die reden is het regiment doorgaans de eenheid die zich onderscheidt van andere eenheden door eigenheid van uniform en traditie, waartoe ook een eigen vaandel of standaard behoort.
Een ripsweefsel is een afgeleide linnenbinding met ribben in de lengte of in de breedte van de stof. Hierbij is hetzij de inslag, hetzij de ketting respectievelijk door de ketting of de inslag geheel of vrijwel geheel bedekt. Men spreekt van kettingrips, indien de ketting de naar voren komende richting van zo'n weefsel is; de ribben lopen dan in de richting van de inslag. Men spreekt van een inslagrips, indiende inslag de naar voren komende richting is, de ribbels lopen dan in de richting van de ketting.
Een standaard is het bij de bereden wapens gebruikte equivalent van het vaandel, maar dan kleiner van formaat. Bij de Koninklijke Landmacht meet het doek van een standaard 50 bij 50 cm. De bereden wapens zijn de onderdelen van de krijgsmacht die door 1940 hun hoofdtaak voornamelijk te paard hebben uitgevoerd, zoals de Cavalerie, het Korps Rijdende Artillerie, het Korps Veldartillerie en de Koninklijke Marechaussee. Dit verklaart ook het kleinere formaat: met deze afmetingen is het doek makkelijk te paard mee te nemen.
Een vaandel is van oorsprong een veldteken, waaraan legeronderdelen hun herkenning ontleenden. Nu bestaat het uit een vierkant doek, in vele gevallen van zijde, waarop bijvoorbeeld de naam van het regiment, een embleem, een initiaal van de vorst, krijgsverrichtingen en jaartallen zijn aangebracht. Vaandels worden meestal van kostbare stof gemaakt en hebben franje langs de rand. Bij het vaandel hoort een stok waarvan de bovenkant bekroond wordt met een vaandeltop. Deze top is meestal ook beladen met symboliek.
De 'voorkant' van de vlag, de achterzijde wordt 'paradekant' genoemd.
Lengte randen van een stuk textiel, vaak van de rest van het weefsel verschillend doordat daar een ander soort kettingdraden zijn gebruikt of dat daar een andere weefbinding is gebruikt.